Treasurybeleid gaat over het beheer van het geld van de gemeente in relatie tot de financiële markten. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verwachte uitkomsten van het voorgenomen treasurybeleid. Het beleid is vastgelegd in de Uitvoeringsregels Treasury 2012.

Renterisicobeheer
Het Rijk heeft regels opgesteld over hoe gemeenten en provincies hun geld en kapitaal beheren. Die regels staan in de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido). Hoeveel geld we als gemeente mogen lenen is afhankelijk van de hoogte van de begroting. De kasgeldlimiet bepaalt hoeveel geld we mogen lenen met een looptijd van maximaal 1 jaar.

In 2018 stellen we, zoals vastgelegd in de Uitvoeringsregels Treasury 2012, viermaal een rentevisie op. De rentevisie is een belangrijk instrument bij beslissingen over het aantrekken van langlopende leningen. Bij een normale rentestructuur (rentepercentage langlopende leningen is hoger dan van kortlopende leningen) is het beleid dat zoveel mogelijk tot de kasgeldlimiet met kortgeld gefinancierd wordt. Afhankelijk van de liquiditeitsprognose, de rentevisie en de renterisiconorm in meerjarig perspectief bepalen we de consolidatiemomenten.

De renterisiconorm is gerelateerd aan het budgettaire risico en heeft als doel het renterisico bij herfinanciering te beheersen. De renterisiconorm houdt in, dat de jaarlijks verplichte aflossingen en de renteherzieningen niet meer mogen bedragen dan 20% van het begrotingstotaal. Deze norm beperkt zich tot de eigen treasury-activiteiten. Leningen die één op één zijn of worden doorgeleend vallen erbuiten.
Contractueel zijn er in 2018 geen mogelijkheden tot vervroegde aflossing.

(x € 1 miljoen)

Begroting 2017

Begroting 2018

Renteherzieningen

-

-

Aflossingen

14,5

4,2

Renterisico

14,5

4,2


Begrotingstotaal

886,9

859,5

Renterisiconorm (20% van begrotingstotaal)

177,4

171,9


Ruimte onder renterisiconorm

162,9

167,7


Kasgeldlimiet (8,5% van begrotingstotaal)

75,4

73,1

Kredietrisicobeheer
Alle uitgezette leningen aan woningcorporaties zijn WSW (Waarborgfonds Sociale Woningbouw) gegarandeerd. De risico's met betrekking tot de aan Stichting Kunstcluster verstrekte lening is voldoende afgedekt door onderpand. Het risico van de aan Gate 2BV verstrekte lening wordt in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing nader toegelicht.
 
De belegging van de bouwfondsaandelen is gedaan bij een AA instelling (ING). De kredietwaardigheid van ING is in 2010 verlaagd naar A. Volgens de wet Fido kunnen bestaande beleggingen ondanks de verlaging van de kredietwaardigheid, gehandhaafd blijven. Op dit moment is er geen aanleiding de kredietwaardigheid van ING in twijfel te trekken. Deze belegging vervalt per 4 januari 2021.

Wij voeren een zeer terughoudend beleid met betrekking tot garantieverlening. Belangrijkste uitgangspunt is dat we alleen een garantie verstrekken aan instellingen die zonder deze garantie geen geldlening kunnen afsluiten. Bovendien moet sprake zijn van activiteiten en/of investeringen met een lokaal belang en mag geen andere instantie dan de gemeente in hoofdzaak de verantwoordelijkheid dragen op het beleidsterrein waarop de aanvragende instelling werkzaam is. Dit is vastgelegd in de Nota gemeentegaranties en geldleningen 2012.

Renteomslagpercentage
Vanaf de begroting 2018 moeten de richtlijnen uit de Notitie rente (Commissie BBV) worden toegepast. Conform de aanbeveling van de Commissie BBV rekenen wij met ingang van 2018 geen rente meer toe aan het eigen vermogen. Dit betekent, dat de rentetoerekening in de begroting 2018 drastisch wordt gewijzigd. Het te hanteren renteomslagpercentage wordt voortaan gebaseerd op de werkelijke rentelasten. De berekening hiervan ziet er als volgt uit:

Renteschema
(x € 1 miljoen)

Begroting 2018

A 1.    Externe rentelasten over korte en lange financiering

1,64

A 2.    Provisie/handlingkosten

0,03

B.   Externe rentebaten

- 3,54

  Saldo rentelasten en rentebaten

- 1,87


C 1.   Rente doorberekend aan grondexploitatie

- 0,34

C 2.   Rentelasten projectfinanciering

0,56

C 3.   Rentebaten projectfinanciering

- 0,56

  Toe te rekenen externe rente

-2,21


D 1.   Rente eigen vermogen

0,00

D 2.   Rente voorzieningen

0,00

  Totaal toe te rekenen rente

- 2,21


E.   Aan taakvelden toegerekende rente (renteomslag)

0,00

F.   Renteresultaat op taakveld Treasury

- 2,21


  Boekwaarde vaste activa (excl. aan derden verstrekte leningen)

934,6

  Berekend renteomslagpercentage

-/- 0,24%

  Gehanteerd renteomslagpercentage

0,00%

Kerngegevens

(x € 1 miljoen)

Opgenomen

Uitzettingen

Stand 1 januari 2018

68,8

38,0

Stand 31 december 2018

63,6

37,8

Totaal aflossingen

5,2

0,5

Gemiddelde rente

2,21%

4,63%

Gemiddelde restant looptijd

5,44

10,37

Laagste rente

0,26%

0%

Hoogste rente

5,40%

7,20%

Beleggingen
In 2000 is de opbrengst uit de verkoop Bouwfondsaandelen belegd in twee producten: vastrentende waarden en een garantieproduct. De jaarlijkse opbrengst uit het vastrentende deel ligt vast (€ 1,508 miljoen). Voor het deel dat belegd is in het garantieproduct van de ING is op de totaal ingelegde som een hoofdgarantie afgegeven (Fido-proof). Hiervan is een deel gestort in het ING Duurzaam Rendementsfonds als belegging (71.566 aandelen met aankoopkoers € 23,25). De waarde van dit deel fluctueert per dag. Het andere deel kent een jaarlijkse opbrengst van € 0,227 miljoen. De hoofdsom van de totale belegging is aan het einde van de looptijd gegarandeerd. Deze belegging vervalt per 4 januari 2021.

Schatkistbankieren
Per 16 december 2013 is de wet verplicht schatkistbankieren ingevoerd. Dit houdt in dat overschotten aan liquide middelen boven een drempelbedrag moeten worden afgestort in de schatkist bij het ministerie van Financiën. Op basis van het begrotingstotaal 2018 (€ 859,5 mln.) bedraagt het drempelbedrag € 4,5 mln. Voor Tilburg heeft dit weinig gevolgen omdat wij geen overtollige middelen hebben.

Emu-saldo en wet HOF
Als gevolg van Europese regelgeving mogen EU-lidstaten een begrotingstekort (EMU-saldo) hebben van maximaal 3% van het bruto binnenlands product (BBP). Aan dit maximale tekort van 3% hebben, naast de Rijksoverheid, ook de decentrale overheden een aandeel. De EMU-systematiek werkt op een andere manier dan het baten- en lastenstelsel dat de gemeenten hanteren. Investeringen tellen bijvoorbeeld niet mee in het stelsel van baten en lasten, daarbij wordt uitgegaan van de kapitaallasten van de investeringen. Investeringen in een jaar tellen echter wel volledig mee in het EMU-saldo.
Ondanks een sluitende begroting hebben wij daardoor toch een negatief EMU-saldo. Het EMU-saldo voor 2018 komt uit op negatief € 157,8 miljoen (zie bijlage 10). Het betekent dat in EMU-termen de uitgaven € 157,8 miljoen groter zijn dan de inkomsten.

Sturingsopties om het EMU-saldo in positieve zin te beïnvloeden zijn het afstoten van activa en passiva die niet tot de ‘core business’ van een gemeente horen. Als vervolg daarop kan het noodzakelijk zijn keuzes te maken en ambities te beperken als het gaat om het investeringsprogramma. Voor vastgoedobjecten kan daarbij huur of lease een optie zijn.

In de jaren tot en met 2015 werden er individuele referentiewaarden per gemeente van het EMU-tekort vastgesteld. Vanaf 2016 zijn er geen individuele referentiewaarden meer vastgesteld. In het najaar van 2017 overleggen de verschillende overheidslagen over de EMU-tekortnorm voor 2018 en de eventuele onderlinge verdeling naar overheidslaag. Mochten er voor 2018 individuele referentiewaarden worden vastgesteld, dan staan er momenteel geen sancties op het overschrijden van de referentiewaarden.

Te verstrekken geldleningen
Artikel 189 van de Gemeentewet bepaalt dat ten laste van de gemeente slechts uitgaven kunnen worden gedaan tot de bedragen die daarvoor in de begroting zijn opgenomen. Het gaat hier om het zogenaamde budgetrecht van de gemeenteraad. Wanneer het college zich niet aan deze wettelijke randvoorwaarde houdt, kan de raad het college ter verantwoording roepen.

In artikel 160, lid 1 sub e, van de Gemeentewet staat dat het college bevoegd is tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te besluiten. Het verstrekken van geldleningen is zo’n privaatrechtelijke rechtshandeling. Het college is dus het bevoegde orgaan om te besluiten tot het verstrekken van geldleningen.

Om recht te doen aan het budgetrecht van uw Raad nemen wij in deze paragraaf een algemene post op voor te verstrekken geldleningen. Gelet op de ervaringen in de afgelopen periode en het terughoudende beleid inzake het verstrekken van geldleningen volstaan we met een bedrag van € 300.000,-. Daarbij gaan we er van uit dat de kapitaallasten/-baten budgettair neutraal zijn.

Met het beleidskader en de vaststelling van de financiële positie en de financieringsparagraaf in de programmabegroting heeft de Raad voldoende inzicht en invloed op het verstrekken van geldleningen door de gemeente. Het college moet binnen die kaders handelen.
Overigens is de gemeente bij het verstrekken van geldleningen ook gebonden aan de Wet Financiering decentrale overheden (Wet Fido), die onder meer als eis stelt dat sprake moet zijn van een publieke taak. Dit laatste is een bevoegdheid van de raad.